Deze week, 10 september, is het wereld suïcide preventiedag. Op deze dag staan we wereldwijd stil bij alle mensen die zijn overleden door zelfmoord, mensen die een poging hebben overleefd, familie, vrienden en alle anderen die door zelfmoord geraakt zijn.

Suïcidaliteit of zelfmoord wordt nog lang niet altijd besproken, terwijl dat essentieel is voor het voorkomen ervan. Zelfmoord is een van de belangrijkste doodsoorzaken ter wereld. Jaarlijks sterven een miljoen mensen door zelfmoord. Dat is meer dan het aantal mensen dat in oorlogen of bij terroristische aanslagen om het leven komt of vermoord wordt.

Maar wie ben ik om zelfmoord te willen voorkomen? Heb ik dat recht? Of is het mijn plicht? Als iemand toch dood wil? Ik heb het me vaak afgevraagd. Mensen met suïcidale gedachten, suïcide pogingen en alles wat daar tussen in zit, willen zelden echt dood. Meestal vindt men het leven en al wat dit omvat, onbegrijpelijk of te zwaar en lijkt de dood de enige uitweg. Soms heeft men ooit de dood in de ogen gekeken en balanceert men eeuwig tussen twee werelden, zonder werkelijk in een van de twee te stappen. Ik denk niet dat een suïcidevrije wereld mogelijk is. Maar ik ben, net als iedereen, gefragmenteerd en een deel van mij is soms ook gewoon een pessimist. Misschien zouden we het niet eens moeten nastreven, maar dat is enkel vanuit mijn eigen referentie bekeken en te arrogant om een ander op te leggen. Maar wat ik wel weet is dat ik persoonlijk pas durfde te spreken over mijn doodswens, toen niemand mijn gedachtes meer wilde weerleggen en de dood eindelijk een tastbaar onderdeel werd in mijn leven.

Tot mijn midden twintigste dacht ik dat iedereen wel eens dood wilde en nadacht over hoe dit te bewerkstelligen. Ik was dan ook verbaast toen ik in een groepstherapie hoorde dat dit niet het geval was. Ik weet niet beter dan dat ik suïcidaal ben. Niet een periode, nee altijd. Suïcidaliteit wordt ook wel eens vergeleken met het herpes virus; ‘niet altijd op de voorgrond in de vorm van bijvoorbeeld een koortslip, maar altijd latent aanwezig.’ Inmiddels weet ik dat dit niet voor iedereen geldt, iedereen zijn suïcidaliteit ziet er anders uit. Ook hierin zijn we net mensen. Maar ‘de mijne’ lijkt aardig op het herpes virus.

Vanaf dat ik mij kan heugen heb ik suïcidale gedachten. Hoewel mijn geheugen niet voor mijn tiende levensjaar reikt. In mijn leven heb ik enkele episodes gehad, dan nemen gedachten mij over en verdwijn ik in een suïcidale tunnel. Mijn blik vernauwd en het enige wat ik nog wil, is dood. Zo’n episode duurt een paar dagen tot een paar weken. Maar kost me iedere keer weer tien jaar van mijn leven. Gelukkig heb ik niet altijd een koortslip, maar er gaat geen dag voorbij dat mijn doodswens niet even voorbij komt.

Wat is er mis met me? Niet zo heel veel! Toch duurde het even voordat ik dat zelf doorhad. Ik belande, niet enkel vanwege mijn suïcidaliteit, in de mallemolen die GGZ heet. Acht diagnoses, tig therapeuten en een handje vol behandelingen verder, maar nog steeds was ik suïcidaal. En eerlijk, eigenlijk alleen nog maar meer. Maar dat kwam vooral omdat ik mezelf steeds minder verdoofde met gedrag en gebruik.

En daar ontmoette ik voor het eerst iemand die mij vragen stelde. Weliswaar tien jaar na de openbaring dat niet iedereen suïcidaal is. Mijn doodswens was niet echt een geheim, maar weinig professionals durfde dit gesprek echt aan te gaan. Deze vrouw wel. Ze stelde me gerichte vragen, geïnteresseerde vragen, concrete vragen, liefdevolle vragen, directe vragen. Zij was niet bang voor mijn suïcidaliteit, ze wilde het samen met mij dragen. Ik voelde schaamte bij haar vragen, als een dokter die onder mijn kleding keek. Maar tegelijk was het de opluchting die me een beetje bevrijdde, het was een onzichtbare etterende wond die gezien moest worden.

En nu? Nu ben ik nog steeds suïcidaal. De episodes duren wel minder lang en gaan minder diep. Maar nog steeds denk ik bijna iedere dag aan de rust die de dood me zou kunnen brengen. Ik overwon schaamte, leerde de signalen van een episode herkennen en nam anderen mee op reis. Dit laatste was, en is soms nog steeds, ook echt een reis. Hoe ik in sommige periodes ook overtuigd ben dood te willen, anderen zien mij liever leven. Mensen die van mij houden en mij lief hebben, doet het pijn als ik worstel met mijn bestaan. Bespreekbaarheid houdt in dat alles er mag zijn, van mij én de ander. Wanneer ik met één been richting de dood stap, leerde mijn naasten dat het niet werkt als ze me terug roepen of aan me trekken. Nu komen ze naast me zitten in die verdomde tunnel, kijken we samen naar mijn doodswens en wat dit voor mij, maar ook voor hen betekent.

‘Maar serieus Evi, als je nog steeds dood wil, is er toch wel iets mis met je?’ Ik hoor het ze vragen. Meestal mensen die ik ergens in mijn buitenste kring heb staan of collega’s die ik in het werk tegenkom. Het laatste vind ik zorgelijk. Maar ook dichterbij kan men het soms maar moeilijk bevatten. ‘Je hebt nu toch alles? Leuke hobby’s, een liefdevolle man, betekenisvolle vriendschappen, zinvol werk….’ Men koppelt suïcidaliteit blijkbaar aan het bestaan of gemis van dit soort dingen.

Lijden kan men erg moeilijk te verdagen. Zelfs als iemand een traantje laat vindt men het lastig, hoe moeilijk is het dan om suïcidaliteit te nemen voor wat het is. Ik snap het ook wel, naast onwetendheid zijn er nog zoveel lagen die mee kunnen spelen. Bij een haptonoom ontdekte ik dat men zo bang voor de dood kan zijn, dat het hen belemmerd tot leven. Angst voor en verlangen naar de dood, verschillen in de basis dus maar weinig van elkaar. Hoe dan ook, de dood, van onszelf en van anderen, roept zoveel op, het liefst negeren we haar. Totdat ze ineens voor onze neus staat.

En onlangs stond de dood ineens heel dicht voor mijn neus. Een maand geleden reed ik met 100 kilometer per uur de vangrails in. Het ging allemaal snel, razendsnel. Ik leek wel een balletje in een flipperkast. Voordat ik het wist belandde ik in de ene vangrail, liet de auto mij alle hoeken van de snelweg zien, om uiteindelijk in de andere vangrail tot stilstand te komen. Wat gebeurde er? De eerlijkheid is dat ik het niet wist. Althans op dat moment. Het cognitieve besef kwam uren later, toen de adrenaline haar werk had gedaan; Ik dissocieerde.

Nog zo’n onderwerp waar we een ‘wereld dag’ aan zouden mogen besteden. Twee dagen later kwam het gevoelsbesef en kwamen voor het eerst mijn tranen. Terwijl de auto mij over de snelweg sleurde voelde ik geen angst. Integendeel. Ik voelde hoop en dacht: ‘ik hoop dat dit het einde is.’ Nadat de auto stilstond en ik besefte dat het niet het einde was, kon ik alleen maar teleurstelling waarnemen. Voor even was de dood dichtbij. Niet omdat ik, zoals in een episode, naast een spoor of op een flatgebouw stond. Dit maal sleurde externe factoren mij de vangrails in. Hoewel het woord extern in deze te betwijfelen valt.

En daar werd ik geconfronteerd met iets nieuws; Hoe suïcidaal ik ook kan zijn, altijd dacht ik dat er een overlevingsdrang in mij zat. Dat ik, als het er echt toe deed, toch niet dood wilde. Maar tijdens dit ongeval verbaasde ik me over het uitblijven van ieder overlevingsgevoel. Iets wat me meer schrik gaf dan het ongeluk zelf. Voor heel even kreeg ik via de dode hoek spiegel, een kijk in de diepte van mijn eigen suïcidaliteit.

Stephan King

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

‘Als je zo graag dood wilt, waarom heb je het dan nog niet gedaan?’ Een goede vraag! Ooit kwam er iemand op mijn pad die me vertelde dat we allemaal onze eigen lessen in dit leven hebben te leren. En als we dit leven niet volbrengen, door er bijvoorbeeld zelf een einde aan te maken, we die lessen in een volgend leven terug krijgen. Zienswijzen zijn voor mij geen vaste waarheid, ook deze niet. Mijn eigen en andermans waarheid betwijfel ik altijd en ik geloof nergens vol overgave in. Toch helpt dit gesprek me nog iedere dag. ‘Het zou verdomme toch waar zijn? Ik ben nu halverwege!’ Ik zeg dit vaak op een grappige toon tegen anderen, maar ik ben echt als de dood -ook weer grappig- voor een volgend leven.

Wil je dood? Misschien moet je naar een dokter, een psychiater, je laten onderzoeken. Je slikt toch wel medicatie? Nee joh!? Ga je het wel overwegen? Is het te behandelen? Wat is dissociëren eigenlijk? Hoe komt het? Kom je ervan af? Kan je nog wel autorijden? Met openheid komen vragen, maar vooral heel veel adviezen. Vanuit onwetendheid en angst, of vanuit eigen ervaringen en referentiekader. Maar bijna altijd ongevraagd en zelden afgestemd. Het zijn van die gesprekken waarbij je wenst dat je dissocieert, maar je het juist op dat moment helaas niet doet.

Ik snap het, maar ook weer niet. Men noemt mijn binnenwereld afwijkend, ik vraag het me soms af. Ik zie de goedbedoelde intenties en toch kan ik er niets mee. Erkennen en omarmen van paniek, pijn, verdriet, de dood, angsten, frustratie, razernij, rouw, is voor weinigen weggelegd. Wat willen we toch graag ‘Happinez’ en licht. Suïcidaliteit en dissociaties vallen onder de zwarte pagina’s van ons bestaan. Deze heeft de redactie zorgvuldig weggelaten.

Voor mij, en velen met mij, is dit een onderdeel van mijn bestaan. Ik weet waar mijn suïcidaliteit aan gekoppeld is, net als mijn dissociëren. Dissociëren is een klein beetje doodgaan. Ontstaan omdat mijn gezonde nee werd afgesneden; het leven te ondragelijk was en een beetje dood zijn, beter leek dan de werkelijkheid ten volste voelen. Waarom zou je dissociëren nog als ziek bestempelen, als het zo’n overlevingsfunctie heeft? Nu heb ik het niet meer nodig, maar de sporen hebben zorgvuldige snelwegen aangelegd in mijn systeem. Waakzaamheid is mijn natuurlijk staat van zijn. Een zeer verfijnde staat van zijn zelfs. Jij ziet niets aan me, ik wel alles aan jou.

Ik heb nog iets te doen, maar heling laat zich niet versnellen of sturen. Soms geef ik me over aan de tijd, soms frustreert ze me. Hoop vind ik een ingewikkelde. Ik zie dat mensen daar veel aan hebben, met tijd en wijlen ikzelf ook. Want wat is er namelijk nog over als er geen hoop meer is? Wanneer het hier en nu ondragelijk voelt, kan hoop als noodzakelijk ervaren worden. Maar hoop is ook leven in de toekomst en is dat nu niet de hele essentie? Is het niet juist die ondraaglijkheid die ons als fluisterende, soms schreeuwende stemmen en prikkende vingers iets willen laten zien?

We groeien op met Disney en sprookjes, omdat we graag goed, vredig en veilig in slaap willen vallen. Die drang is zo groot dat we aangeleerd krijgen, onszelf en naasten liever leugens voor te houden, dan de werkelijkheid te tonen. Spoken bestaan! Duister bestaat! Pijn bestaat! Als ik iets geleerd heb van mijn suïcidaliteit, mijn lijden en mijn pijn, is dat mijn donker net zo goed onderdeel van mij is, als mijn licht. Natuurlijk wil ik ook op wolkjes lopen, liefde voelen en verbondenheid ervaren. En wil ik niet in een tunnel van duisternis getrokken worden, intense haat en razernij voelen, afgesneden raken van mezelf en anderen. Pas wanneer ik mijn eigen donkerte kan zien voor wat ze echt is en ik haar boodschappen wil horen, dan pas kan ik haar unieke schoonheid ervaren. Haar doorleven voelt soms als een stapje dichterbij de dood, maar brengt mij paradoxaal genoeg bij leven. Pas als ik mij door haar diepste pijnen en walgelijkste waarheden kan laten aanraken, dan pas kan ik heel worden.