Deskundig tegen wil en dank

Deskundig tegen wil en dank. Zo wordt ervaringsdeskundigheid wel eens genoemd. Ik ben het ermee eens. Als klein meisje wilde ik danseres, schrijfster, sieradenmaakster of non worden. Vraag me bij het laatste niet waarom.

Net als herstel is werken met je ervaring geen lineair proces. Soms haat ik het en voel ik ‘dat tegen wil en dank gedeelte’ zeer sterk. Soms geeft het betekenis en raakt het gevoel zelfs mijn purpose. Gave en opgave, de andere kant van dezelfde medaille.

Gisteren lag de medaille op één kant…

Ik stond op, was nog maar net wakker en werd door een dierbare gevraagd zijn dochter te helpen. Ik zou volgens hem dé persoon zijn die haar kon helpen. Mijn specifieke kennis, mijn doorleefde ervaring, maar vooral mijn wijsheid en de wijze waarop ik bejegen, maakte dat hij mij vroeg. Van alles wat hij zei waarom ik, volgens hem, het meest geschikt was zijn dochter te begeleiden (en hij kent heel veel mensen die mensen begeleiden) bleef één ding bij mij hangen: ‘dat hij mij zijn dochter toevertrouwd.’

Die middag werd ik gebeld door een jongedame. Eind vorig jaar sprak ik haar. Ik was onder de indruk van haar intelligentie en veerkracht. Iedere keer als ik denk; ‘nu kan het niet erger wat iemand meegemaakt heeft,’ komt er iemand voorbij die mijn zwarte kijk op de mensheid niet verzwakt. Ik zeg altijd dat leedhiërarchie niet bestaat, de eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat ik het niet iedere dag eens ben met mijn eigen uitspraken.

Maanden na ons gesprek bleef het stil, niet omdat ze geen hulp wilde. De dualiteit leeft in veel beschadigende mensen voort; degene die het hardst hulp nodig hebben, hebben afgeleerd hulp te vragen. Niet omdat ze dit willen, maar omdat ze anderen niet vertrouwen. Van alle trukendozen die ik leer in opleidingen, leer je de belangrijkste niet; vertrouwen. Niet vertrouwen winnen, nee vertrouwen. In begeleiding is dit namelijk een wederkerig proces.

Stop maar met goocheltrucs zolang dit er nog niet is, is het beste advies wat ik kan geven. En ik geef zelden advies.

Gisteren, nadat ze de afgelopen maanden tientallen keren haar telefoon had opgepakt en weer weggelegd, lukte het haar eindelijk mijn handreiking aan te nemen.

S ’avonds kreeg ik een berichtje van iemand met wie ik enkele weken terug mocht samenwerken. Inmiddels een tijd werkend als coach, was het zo’n dag waarop mijn kennis en ervaring mooi samenvloeide. Spelenderwijs doken we in opstellingen. Opstellingen waar we het hoofd even omzeilen en het lichaam mag vertellen, gebeuren magische dingen. Maar van alles wat ik erover kan zeggen, spreekt haar verhalende samenvatting voor zich;

‘’Het gebroken kind.

Het houten stoeltje drukt ongemakkelijk in mijn rug. Ik wil opstaan van het stoeltje en op een grote, volwassen stoel gaan zitten die tegenover mij staat. Tegelijkertijd dwingt iets in mij te blijven zitten. Verwarde gedachten buitelen over elkaar heen. Mijn nek en schouders zijn helemaal verkrampt. Mijn benen trillen. ‘Het is niet erg’, hoor ik mezelf ineens zeggen. Het is net of een ander het zegt, ik schrik er een beetje van. ‘Dat klopt niet, het is wel erg’ zeg ik snel. ‘Wat is erg?’ vraagt ze. Ja, wat is erg? Dan breekt het en stroomt over mijn wangen. Ik besef dat ik de controle ben verloren. Ik zit nog steeds in de grote, hoge praktijkruimte, maar in mijn hoofd ben ik in een kleine, donkere kamer en zit in een hoekje, op hetzelfde ongemakkelijke stoeltje. ‘Het is wel erg’, snik ik. ‘Dat ze mij niet zien. Dat ze mij niet horen. Dat ze mij niet knuffelen. Ik zeg steeds dat het niet erg is, maar dat is het wel.’ Ik ben niet meer 38, maar 6. Ik doe mijn bril af en leg hem op mijn knie, maar hij klettert op de grond. Dan is daar dat grote gapende gat, recht voor mijn stoel. Dat gat dat ik niet wil zien, maar dat altijd op de achtergrond aanwezig is. ‘Het gat moet dicht. Ik gooi er steeds van alles in, maar het gaat maar niet dicht. De liefde van mijn kinderen, van mijn man, zelfliefde, maar niks helpt. Hoe maak ik het dicht? Het moet dicht, het moet weg. Haal het weg.’ zeg ik ontredderd. Ik ben machteloos. En alleen, zo alleen. Er is niemand. Niemand die mij ziet. Ik ben 38 en 6 tegelijk. ‘Het gat gaat nooit meer weg,’ zegt ze. ‘Als je je gevoel durft toe te laten, leer je ermee leven. Nu kan je het dragen, toen niet. Je mag erop vertrouwen dat je het nu kan dragen.’ Ik merk dat ik rustiger ga ademhalen, het trillen van mijn benen stopt.

En ik weet, dat ik dit kan.’’

Het was een bijzondere dag, met wil en dank.